opdracht social media Marieke L'Ortye
214 Vrienden
Vastberaden om aan mijn opdracht voor Marketingcommunicatie te beginnen, opende ik mijn laptop. Nu, twee uur later, heb ik zoals je kan merken maar liefst twee zinnen op papier staan. Wel ben ik er van op de hoogte dat Nina zonder sleutel voor haar gesloten voordeur in Maastricht stond, ben ik vrienden geworden met Ellen en weet ik dat Anne net wél haar opdracht al heeft afgemaakt en nu lekker friends zit te kijken met een grote zak chips. Dit alles en nog veel meer interessants, kwam voorbij op mijn facebookwall, waar ik mij gerust een middagje kan vermaken.
Hoe kan het dat ik me zo vermaak op facebook? Maar sterker nog, hoe kan het dat zo’n 700 miljoen anderen dit met mij delen? Hoe kan het dat het socialmedia-virus zich zo snel heeft verspreid?
Een behoorlijk aantal wetenschappers lijkt het antwoord hierop wel te weten. Helaas zijn ze het niet allemaal met elkaar eens over het snelgroeiende succes van sociale media. De een (McQuail, 1987) beweert dat we allemaal al een basisbehoefte aan sociale relaties en aandacht hadden net als dat mensen behoefte hebben aan amusement, informatie, sociale omgang en het ontwikkelen van een eigen identiteit en dat deze netwerksites precies aan deze behoeften voldoen.
Die basisbehoeften herken ik bij mezelf wel. En ja, het is amusant om een kijkje in het leven van anderen te nemen. Bij het ontdekken van social media heb ik toch ook zeker de voyeurist in mij leren kennen. Maar ook zeker het opdoen en wisselen van nuttige informatie vind ik een prettige eigenschap van de platforms. Alleen stel ik er mijn vraagtekens bij of de behoeften aan het ontwikkelen van een eigen identiteit en sociale omgang op deze manier wel totaal worden vervuld. Een basis hiervan natuurlijk wel, dankzij het aan kunnen maken van een eigen profiel en het maken van ‘vrienden’. Maar is dit niet te oppervlakkig? Volgens mij kunnen social network sites toch niet geheel voorzien in de behoefte aan aandacht en sociaal contact. In mijn geval is deze in ieder geval niet totaal te vervullen in 140 tekens.
De ander (Rogers en Shoemaker, 1973) zegt dat een nieuw medium het best geaccepteerd wordt wanneer het
relevante voordelen heeft ten opzichte van de bestaande media,
maar nog steeds vergelijkbaar is,
het eenvoudig is om te proberen,
eenvoudig te gebruiken,
en dat je anderen het medium ziet gebruiken.
Volgens de bedenkers van deze theorie voldoen social network sites aan al deze eisen.
In deze theorie kan ik me wel vinden, de meeste sites zijn in eerste instantie heel makkelijk te gebruiken. De drempel om eens een kijkje te nemen op zo’n sociaal platform ligt niet hoog. Maar dit betekent volgens mij niet altijd dat de buit daarmee binnen is. Zo maakte ik, uit nieuwsgierigheid, een aantal maanden geleden ook een foursquare account aan, maar na even te hebben rondgekeken had ik het in deze digitale omgeving toch al snel gezien. Ik denk dat hierbij vooral het eerste punt op dit lijstje van belang is, je moet als gebruiker toch vooral het nut van een toepassing in zien. Maar de kracht van veel social network sites zou hem inderdaad kunnen zitten in het bezitten van dit hele rijtje met eigenschappen.
Een derde theorie gaat over het netwerkeffect, dat rekening houdt met de behoefte van mensen om ‘erbij’ te willen horen. Wanneer een netwerk zo ver is verspreid dat 25% van de mensen het gebruikt, is er een tijd een snellere groei in gebruikers te zien, omdat mensen dan meer het nut zien om ‘mee te doen’. Een tweede groei is te zien wanneer er zo’n 75% zich bij het netwerk heeft aangesloten, dan wordt de sociale druk voor de overige groep zo groot, dat ze zich eerder aansluiten om erbij te horen.
Ook deze theorie vind ik heel interessant. Bij social network sites is het natuurlijk cruciaal dat er al genoeg gebruikers zijn, anders kunnen er vraagtekens worden gezet bij het al eerder besproken ‘nut om te gaan gebruiken’. Dat er een grote groei is wanneer er al een kwart mensen over stag is gegaan vind ik dan ook begrijpelijk. Nog aannemelijker vind ik de theorie over het ‘erbij’ willen horen. Vooral omdat de doelgroep van de meeste social media sites relatief jong is, de meeste gebruikers zijn scholier, denk ik dat dit enorm meespeelt. Met licht schaamrood op mijn wangen moet ik zelfs bekennen dat ook ik hier gevoelig voor ben. Zo heb ik twee jaar geleden mijn hyves-pagina toch maar ingeruild voor een facebook-account, want hyves: “Dat kon echt niet meer!”.
Weer een ander verklaart de explosieve groei van social media met een theorie over gewoonten. Mensen houden het liefst zo lang mogelijk vast aan een medium, tot dat ze er totaal van overtuigd zijn dat je met een nieuwer medium meer kunt. Zo werden hyves en facebook geaccepteerd door de al bestaande smoelenboeken op scholen en dankt bijvoorbeeld de fotosite Flicker zijn succes aan Wikipedia en Ebay die ons een patroon van uitwisseling en ruilen hebben aangeleerd.
Die laatste vind ik persoonlijk wat ver gezocht, ik denk dat de behoefte om uit te wisselen en te ruilen al veel eerder bestond en dat deze websites in deze wens vervulden. Nieuwe media spelen inderdaad in op de behoefte van de gebruikers en daarom is het ook aannemelijk dat deze nieuwe media gebaseerd zijn op bestaande successen. Wanneer ik aan gewoonte en social media denk, link ik dit vooral aan hoe het gebruik van een medium kan versmelten in je dagelijks leven, waardoor je niet meer kritisch kijkt naar wát je nou precies doet, maar het als gewoon aan neemt dát je het doet.
Met zo veel theorieen en meningen, is het formuleren van een echt antwoord op deze vraag dan ook niet mogelijk. Gelukkig is er nog altijd social media, waardoor je altijd de hulplijn van anderen kunt inschakelen. Aan mijn facebookvrienden legde ik dan ook deze vraag voor:
Zoals je ziet reageerde er maar liefst zes mensen. Tja.. hier zit ik dan met mijn 214 facebookvrienden en met maar een brandende vraag: Social media, wat heb je er aan?!
Marieke L'Ortye